Groningen is van alle grote steden in Nederland misschien wel de minst bosrijke, en dat verandert het karakter van het seizoen. Op de zeeklei en het veen in het noorden groeit weinig bos; wat er aan boompollen binnenkomt, is grotendeels aangevoerd van elders — uit Drenthe, uit Duitsland, soms van veel verder. Het Noorderplantsoen, het Stadspark en de laanbeplanting leveren wel els, berk en iep, maar op een schaal die niet in de buurt komt van wat de Veluwe of de Kempen produceert.
Waar Groningen wél veel van heeft, is gras. Het omringende landschap is weide- en akkerbouwgebied tot aan de horizon, en dat maakt het graspollenseizoen van mei tot juli het deel van het jaar dat hier telt. Daar staat de wind tegenover: de stad ligt dicht bij de Waddenzee, en bij noorden- tot noordwestenwind komt er lucht overheen die over water heeft gelegen, met merkbaar lagere concentraties tot gevolg. Het berkenseizoen begint in het noorden bovendien later dan in Limburg of Brabant — soms wel een tot twee weken — omdat het voorjaar hier eenvoudigweg later op gang komt.