Almere is de jongste stad van Nederland en dat maakt de pollensituatie er ongebruikelijk. De grond bestond een halve eeuw geleden nog niet: de Flevopolder viel in 1968 droog, en alles wat er nu groeit is aangeplant. In het Almeerderhout, het Kromslootpark en de Kathedralenbossen staan daardoor vooral snelle pioniersoorten — populier, wilg, es en els — omdat dat de bomen zijn die je op verse zeebodem het eerst kwijt kunt. Populier en wilg bloeien in maart en april; els begint eerder, vanaf januari.
Het landschap eromheen is open en vlak, zonder heuvels of oude bossen die de wind breken. Dat werkt twee kanten op: pollen die vrijkomt wordt snel verspreid en verdund, maar bij oostenwind ligt er ook niets tussen de stad en de aanvoer van elders. Het IJmeer en het Markermeer aan de westkant leveren hetzelfde effect als de zee bij een kuststad — lucht die over water komt, is armer aan pollen. Voor gras is het beeld gewoner: de polder is akkerbouw- en weidegebied, en van mei tot juli is dat de dominante bron.