Den Haag ligt met één voet in de duinen en één in het bos, en die twee kanten van de stad geven verschillende klachten. Aan de westkant liggen Westduinpark, Meijendel en de Scheveningse Bosjes: duinlandschap met helmgras, duindoorn en duinriet. Aan de oostkant staat het Haagse Bos met oude beuken en eiken, en verderop de landgoederen richting Wassenaar en Voorburg, waar els en berk in de vochtige delen goed gedijen.

De zee is hier geen detail. Bij aanlandige wind — en dat is in Nederland de normaalstand — waait er lucht de stad in die honderden kilometers over water heeft gelegen en dus vrijwel pollenvrij is. Aan de kust liggen de concentraties daardoor structureel lager dan tien kilometer landinwaarts. Het omslagpunt komt bij oostenwind: dan draait dezelfde plek binnen een dag van een van de rustigste naar een van de drukkere plekken van de Randstad, omdat er dan pollen uit het binnenland en van over de grens overheen komt. Voor het graspollenseizoen in mei en juni betekent dat: kijk naast het niveau ook altijd even naar de wind.