Rotterdam heeft weinig bos en veel haven, en dat is voor hooikoortspatiënten eerder gunstig dan ongunstig. De grote bronnen van boompollen liggen niet in de stad: het Kralingse Bos en Het Park zijn de uitzonderingen, met els en berk langs het water. Het havengebied en de Maasvlakte leveren nauwelijks pollen, want daar groeit weinig dat op de wind bestuift. Wat de stad wel binnenkrijgt, komt bijna altijd van elders.

Daarmee wordt de windrichting hier de belangrijkste factor van allemaal. Bij de overheersende zuidwestenwind stroomt schone, vochtige zeelucht de stad in en blijven de concentraties laag, zeker in vergelijking met het binnenland. Draait de wind naar het oosten of zuidoosten, dan verandert het beeld binnen een dag: dan komt er boompollen mee uit Duitsland en België en graspollen uit de Brabantse en Zuid-Hollandse weidegebieden, en kan Rotterdam zomaar hoger uitkomen dan Utrecht. Het graspollenseizoen, van mei tot in juli, is voor de meeste Rotterdammers het zwaarste deel van het jaar; de bermen langs de ruit en de weilanden richting Barendrecht en Ridderkerk liggen dicht genoeg bij de stad om dat te merken.